PTSS

 

Up

Post Traumatische Stress Stoornis

Een lastig begrip in asielland. Moet iemand die aan PTSS leidt in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning? Ja en Nee, zegt de IND. Indien wordt voldaan aan de criteria zoals de IND die gesteld heeft, in het zogenaamde traumatabeleid, dan kan een verblijfsvergunning worden afgegeven.

Het Europees Hof heeft nog geen uitspraken op dit terrein gedaan, maar in zaken waar ernstige medische bezwaren bestonden tegen uitzetting heeft het Europees Hof al wel aangegeven dat in die gevallen een situatie kan ontstaan die maakt dat er bij uitzetting sprake is van schending van artikel 3 EVRM.

Waar ligt nu die grens? De Raad van State heeft op 12 februari 2004 een uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen een uitspraak waar voor een Chinese asielzoeker door de Rechtbank werd geoordeeld dat nader onderzoek naar de psycho-medische gesteldheid geboden was en waar de IND vond dat dat nader onderzoek niet nodig was. Ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, voorgezeten door Loeb en geassisteerd door Vlasbom en Lubberdink, heeft thans geoordeeld dat geen nader onderzoek nodig was, noch dat nadere motivering vereist was.

De zaak

In januari 2003 wordt ik door een collega advocaat gevraagd deze zaak op mij te nemen. Een andere advocaat die de zaak eerst behandelde had haar praktijk neergelegd, de opvolgende jurist van de SRA zag onvoldoende ruimte voor het doorzetten van het beroep, en de zaak kwam via het Landelijk Centraal Meldpunt bij mijn collega. Omdat er sprake was van tijdnood en deze collega mij goed kende, werd ik gevraagd om die zogenaamde second opinion te doen.

Het lukte mij niet om cliŽnt voor de zitting nog te bereiken. Op 15 januari 2003 zag ik cliŽnt ter zitting voor het eerst en aldaar klapte hij helemaal in elkaar. Kruipend op de grond smeekte hij aan alles en iedereen om niet te worden gedood. Mij restte niets anders dan de rechter om uitstel te vragen om nader onderzoek te laten doen naar zijn psychische gesteldheid. Die aanhouding kreeg ik. en ik diende binnen vier weken met medische informatie te komen.

In het dossier was al wel melding gemaakt van medische problemen, maar kennelijk was niet bekend geworden dat cliŽnt ook al in een gesloten inrichting was opgenomen geweest voor zelfmoordpogingen. Na de zitting is hij nog meerdere keren opgenomen geweest en ook nu nog staat hij onder intensieve begeleiding en medicatie.

Om naast de medische informatie uit het dossier ook een toelichting te krijgen, is een psychologische rapportage opgevraagd. Dat rapport is opgesteld aan de hand van het dossier en gesprekken tussen de psycholoog en de behandelende artsen. Een gesprek met de vreemdeling werd niet opportuun geacht, zelfs gevaarlijk voor zijn gezondheid.

De medische informatie werd ingebracht en de IND werd om een nader standpunt gevraagd. De IND reposteerde met de stelling dat geen nadere reactie vereist was, hetgeen door de Rechtbank niet werd geaccepteerd. De Rechtbank vond dat er minstens een nadere motivering diende te worden gegeven nu de ernst van de kwaal niet bekend was voor de bestreden beschikking, maar gelet op artikel 83 Vw wel alsnog in beroep kon en diende te   worden meegewogen.

De IND stelde op 4 september 2003 hoger beroep in op de laatste dag van de appŤltermijn en dezerzijds werd verweer gevoerd. In het beroepschrift werden drie grieven aangehaald.

Ten eerste werd aangedragen dat geen nadere motivering vereist was, mede nu volgens de IND niet werd voldaan aan de criteria waaraan het Europees Hof zou toetsen, de medische stukken zouden geen blijk geven van ernstige uitzonderlijke omstandigheden. Zo werd er ondermeer kritiek gegeven op het feit dat er geen persoonlijk contact was geweest tussen de rapporterend psycholoog en de vreemdeling. Ook zou van de geloofwaarigheid van de vreemdeling worden uitgegaan en daarom kan aan de medische informatie geenw aarde worden gehecht.

Ten tweede werd aangedragen dat de eerste grief (geldend voor de b-grond) ook diende te gelden voor de c-grond. Er wordt immers niet voldaan aan het traumatabeleid, nu niet is aangetoond dat het trauma is veroorzaakt door de Chinese overheid of een instantie waartegen de Chinese overheid geen bescherming kan of wil bieden.

Ten derde werd aangedragen dat het verkeerde wetsartikel is genoemd, nu er geen sprake is van een bezwaarprocedure.

In verweer werd aangegeven:
- dat de IND, het Bureau Medische Advisering, zelden persoonlijk onderzoek doet, hetgeen met een voorbeeld werd gestaafd.
- Dat de medische informatie derhalve wel degelijk als zwaarwegend diende te worden beoordeeld.
- Dat er naast die rapportage veel meer informatie voorhanden was, namelijk het medisch dossier waaruit blijkt dat er sprake is van ernstige psychische stoornissen en de daaraan verbonden gevaren.
- Dat het verder geen belang heeft of men van de geloofwaardigheid uitgaat, omdat de psycho-medische stoornissen objectief vast te stellen zijn.
- Dat zelfs indien de geloofwaarigheid een rol zou spelen, oorzaak en gevolg hier niet door elkaar gehaald mogen worden, psychische problemen hebben nu eenmaal het gevolg dat hetgeen iemand vertelt vervormd kan worden door die psychische stoornis.
- Dat door de Rechtbank niet geoordeeld is of er sprake is van schending van artikel 3 EVRM, maar dat voor een goed oordeel hierover nader en zorgvuldig onderzoek nodig is.
- Dat in dat kader tevens geoordeeld moet worden of de vereiste medische behandeling in China voor de vreemdeling beschikbaar en toegankelijk is.
- Dat voor toetsing aan de c-grond niet aleen aan het traumatabeleid hoeft te worden getoetst, maar ook aan andere schrijnende gevallen.
- Dat de Rechtbank met de verwijzing naar artikel 7:12 Awb, het motiveringsbeginsel dat zodanig fudamenteel is, niet voorbijgegaan is aan het feit dat er geen bezwaar in asiel mogelijk is, maar mede gewezen heeft op dit bestuursrechtelijk grondbeginsel in het kader van de zorgvuldige besluitvorming.

De Afdeling oordeelt thans dat grieven 1 en 2 slagen want de IND hoefde niet te motiveren waarom de medische situatie geen aanleding vormde om alsnog een verblijfsvergunning te verlenen. Vervolgens oordeelt de Afdeling zelf over de zaak en concludeert het volgende:
- het asielrelaas is ongeloofwaardig want het individueel ambtsbericht, onderzoek naar identiteit en afkomst weerspreekt de afgelegde verklaringen, de vreemdeling kon immers niet worden getraceerd op basis van de door hem afgelegde verklaringen;
- slechts onder uitzonderlijke en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, verband houdend met gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, kan uitzetting leiden tot schending van artikel 3 EVRM, hetgeen gebaseerd wordt op twee uitspraken van het Europees Hof, van 2 mei 1997 (RV 1997, 70) en 6 februari 2001 (JV 2001/103).
- het inmiddels nieuw genomen besluit van 6 november 2003 wordt vernietigd, want de IND kan niet ten tweede male beslissen op de aanvraag.

Het beroep tegen de nieuwe afwijzende beslissing op de aanvraag is daarmee eveneens tot een einde gekomen.

Het Europees Hof:

De door de ABRS aangehaalde uitspraken betreffen St. Kitts (D. tegen het Verenigd Koninkrijk, 1997) en BensaÔd tegen het Verenigd Koninkrijk (2001).

In St. Kitts ging het om een aidspatient waarbij de Europese Commissie voor Mensenrechten oordeelde dat strafrechtelijke bezwaren (de criminele vreemdeling) geen rol mogen spelen bij de beoordeling of er sprake is van schending van artikel 3 EVRM. Terugkeer zou hem zijn huidige medische hulp hebben ontnomen, al zou hij op St Kitts niet anders worden behandeld dan andere aldaar aanwezige aidspatienten, het ontnemen van de huidige behandeling zou zijn leven bekorten. Het Hof bevestigde dat oordeel en voegde daaraan toe dat nu de vreemdeling in een steeds verslechterende omstandigheid verkeerde en ook steeds vaker naar het ziekenhuis moest er sprake was van zeer ernstige medische omstandigheden. Het feit dat er in Engeland een goede "sophisticated" behandeling voor handen was, maakte dat nu niet aangetoond was dat in St Kitts zelfs maar een ziekenbed voor handen was, uitzetting strijd met artikel 3 EVRM zou opleveren.

Nu in de onderhavige zaak ook al regelmatig opname in een gesloten inrichting had plaatsgevonden en de vreemdeling onder intensieve behandeling en medicatie staat, kan de verwijzing naar deze uitspraak van het Hof dan ook niet worden gevolgd. Juist nu geen familie van de vreemdeling in China kon worden aangetroffen, wel of niet omdat de vreemdeling onjuiste informatie heeft verstrekt, nu algemeen bekend is dat de medische voorzieningen in China naar onze normen nog onvoldoende ontwikkeld zijn (hetgeen ook bleek bij de SARS-epidemie), maar zeker als het de psychiatrie betreft, en de medische voorzieningen al helemaal niet toegankelijk voor zij die geen geld hebben en zoals veelal gebruikelijk in China en in casu ook het geval, niet verzekerd zijn tegen medische kosten, dient juist te worden geoordeeld dat een situatie als die van St Kitts zich alhier voordoet.

In de zaak van BensaÔd ging het om een man die aan schizofrenie leed en het gebrek aan medicijnen zou kunnen leiden tot terugval in het ziektebeeld. Het Hof oordeelde dat dit wel valt onder artikel 3 EVRM, maar dat nu terugval ook bij verblijf in Engeland kon plaatsvinden, al was die kans in Algerije groter, er geen reden was om het verblijf in Engeland te continueren. Het betrof een zaak waarbij een schijnhuwelijk was gebruikt om te worden toegelaten tot Engeland. In deze zaak weigerde de Engelse regering om nader medisch onderzoek te doen onder vermelding dat behandeling ook in Algerije, Blida mogelijk was, bij een ziekenhuis aldaar. Blida lag niet zo ver van de oorspronkelijke woonplaats van de vreemdeling. Hiermee werd volgens de Engelse regering aangetoond dat de behandeling ook in Algerije kon plaatsvinden. Het Hof vond toch dat beschikbaarheid onvoldoende was, want met teveel onzekerheden omgeven. Anderzijds oordeelde het Europees Hof dat de behandeling constant vereist was en dat ook in Engeland er risico van terugval was. De vergelijking van beide situaties leverde dan ook op dat alsnog het verschil niet zodanig groot was dat de Staat gebonden was om voor dit verschil alsnog bescherming te bieden.

Gelet op de bovenstaande redenering had de Rechtbank Den Haag dus terecht geconstateerd dat nadere informatie vereist was, in ieder geval had nader gemotiveerd moeten worden waarom de medische situatie van de vreemdeling er niet toe deed. De verwijzing van de Afdeling Bestuursrechtspraak kan dan ook in deze niet gevolgd worden.

Het lijkt er verder op dat de Afdeling de NAV niet heeft gelezen. In NAV 2004/1 op pag. 19 staat uitgebreid gemotiveerd waarom de Afdeling kennelijk de oude strakke lijn uit 1991 wil volgen. Ook in de onderhavige kwestie wordt met kromme redeneringen en met het weglaten van enkele relevante toetsingscriteria, zoals uit de aangehaalde uitspraken van het Hof ook moge blijken, de door de Rechtbank terecht geconstateerde onzorgvuldigheid in het voordeel van de IND weggepoetst. Bij een uitzetting (als die al lukt) naar een land waarvan bekend is dat de vereiste medische voorzieningen (nog) niet daadwerkelijk beschikbaar zijn voor de bewuste vreemdeling kan dan ook niet worden geaccepteerd dat de Afdeling (en de IND en dus ook de Minister) met deze uitspraak wegkomt.

Het vervolg:

Thans zal moeten worden bekeken hoe de vreemdeling dit slechte nieuws medegedeeld moet krijgen, want als advocaat mag ik het slechte nieuws weer brengen. Vanwege de risico's zal eerst contact met de behandelaar gezocht moeten worden en daarna zal bekeken moeten worden of er de bereidheid bestaat om deze zaak voor het Europees Hof voor te leggen. Intussen zal bekeken moeten worden wat de medische gevolgen zijn en of er nog wel behandeling wordt geboden, nu de opvang en de daarbij horende voorzieningen (als asielzoeker) zullen worden beŽindigd.

De stukken:

Beslissing van de Rechtbank in Den Haag, d.d. 24 juli 2003, verzonden op 7 augustus 2003
Hoger beroepschrift IND
Verweerschrift namens de vreemdeling
Uitspraak van de ABRS van 12 februari 2004

Overige stukken:

informatie/rapporten/Brief VVAK aan JP.pdf
Brief van vertrouwensartsen kindermishandeling aan premier Balkende en Tweede Kamer, gemotiveerd pleitend voor een algemeen pardon.