Reactie n.a.v. Ambtsbericht AMA’s China (P.R.), april 2001

 

In het ambtsbericht wordt in de bijlagen verwezen naar diverse stukken wet- en regelgeving. Deze zijn ten behoeve van deze reactie uitgeplozen en vertaald naar het Engels of Nederlands. De bewuste relevante passages zijn als bijlagen bij dit document gevoegd.

Het betreft:

-         General principles of the Civil Law of the People’s Republic of China 1987

-         Marriage Law of the people’s Republic of China 1980

-         Voorschrift omtrent het identiteitsbewijs van de Volksrepubliek China 1985

-         Voorschrift omtrent… nadere bepalingen ten uitvoering, 2e herziening, 1999

 

Identificatieplicht

 

In het ambtsbericht wordt gesteld dat een jongere vanaf 16 jaar in het bezit dient te zijn van een eigen identiteitskaart. Dit is onjuist, althans in de bewoordingen zoals die zijn gebezigd in het ambtsbericht zou dat een algemene identificatieplicht inhouden, waarbij op ieder willekeurig moment een Chinees staatsburger binnen de Chinese grenzen waar dan ook zijn identiteitskaart zou moeten kunnen tonen. Ik zal proberen aan te geven waarom dat onjuist is en daarbij mijn eigen conclusie onderbouwen.

 

Deze discussie is van belang aangezien op basis van het ambtsbericht in individuele beschikkingen wordt gesteld dat iedere jongere een identiteitskaart dient te hebben en dat dus iemand die stelt 16 jaar of ouder te zijn en afkomstig is uit China (P.R.) een ID-kaart moet kunnen tonen, meenemen enzovoort. Iemand die stelt wel ouder dan 16 te zijn en stelt nimmer een ID-kaart te hebben bezit, wordt op basis van dit ambtsbericht, door de IND als leugenaar uitgemaakt, althans wordt het waarheidsgehalte van het asielrelaas in twijfel getrokken.

 

Uit het Voorschrift omtrent het identiteitsbewijs, geldig vanaf 6 september 1985, in het bijzonder artikel 2, volgt dat Chinese Burgers binnen China (P.R.), van 16 jaar en ouder, een identiteitsbewijs dienen aan te vragen. Het dienen aan te vragen, betekent niet dat iemand het dus niet kan dat iemand niet in het bezit is van een identiteitskaart, ook al is die persoon ouder dan 16 jaar.

 

Dat zulks als zodanig dient te worden geÔnterpreteerd, volgt ook uit de nadere bepalingen ten uitvoering van de eerdere regels, laatstelijk herzien in 1999. Uit artikel 20 volgt bij welke gelegenheden een identiteitsbewijs kan worden gebruikt, als vorm van legitimatie.

 

Uit de formulering valt af te leiden in dat legitimatie ook op andere manieren kan geschieden. Dit kan bijvoorbeeld door het tonen van het familieboekje “Hukou”, dat ook wel eens een bedrijfsvariant (“Jiti-Hukou”) kan zijn, indien reeds tewerkgesteld. Dit laatste geeft echter weer vaak een probleem, omdat er maar ťťn origineel is, voor alle werknemers binnen een bedrijf. Voor alle duidelijkheid, in zo’n geval stond men meestal eerst wel ingeschreven in het familieboekje, maar is men overgeschreven naar de “Jiti-Hukou”. In China is het “Hukou” (volledig hukou pen) de basis van de persoonsregistratie.

 

De staande praktijk is dan dat via een zogenaamde notariŽle verklaring, een kopie van het “Hukou” als echt wordt gemerkt en dat dit ter verdere identificatie, voor die gevallen waar nodig, wordt gehanteerd. Die kopie wordt ook dan niet constant meegedragen. Indien nodig wordt gewoon naar huis gegaan om bij eerste gelegenheid te tonen, of indien nodig wordt door de politie, al dan niet als begeleiding meegegaan.

 

Het probleem voor China is daarenboven dat slechts op beperkte plaatsen een ID-bewijs kan worden aangevraagd. Door de uitgestrektheid van dat land, dienen velen derhalve grote en langdurige reizen af te leggen alvorens zo’n plaats te bereiken. Zulks is anders voor het “Hukou”. Door de praktische omstandigheden zal dus nogal vaak geen ID-bewijs worden aangevraagd, vooraleer het echt strikt noodzakelijk wordt.

 

Dit probleem speelt zich dus met name op het platteland af. De meeste grote steden hebben wel een bureau alwaar een ID-bewijs kan worden aangevraagd. Voor binnenlandse reizen is geen ID-bewijs nodig, ook niet voor vliegreizen binnen de landsgrenzen, op de beperking van artikel 20, onder 7, de grensgebieden na.

 

De aanvraag kan echter alleen in de regio waar men officieel ingeschreven staat. Tot voor kort was de migratie naar het oosten, de kust, niet toegestaan, dus verbleven velen illegaal in die regio. Zij konden dan ook geen ID-bewijs aanvragen. Waarschijnlijk zal door de thans gewijzigde politiek dienaangaande de mogelijkheid om een ID-bewijs aan te vragen voor deze groep vergroten.

 

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat iedereen vanaf 16 jaar een ID-bewijs dient te bezitten, als feit, dus onjuist en alle conclusies die daaraan verbonden zijn dus ook.

 

Rechten en plichten als 16- en 17-jarige

 

Verder wordt in het ambtsbericht uitvoerig bericht over hoe minderjarigen zich in China kunnen redden. Daarbij wordt aangehaald dat jongeren (16- en 17-jarigen) die door werk grotendeels in hun eigen onderhoud voorzien, geacht worden handelingsbekwaam te zijn in het maatschappelijk verkeer.

 

Kennelijk wordt verwezen naar artikel 11 tweede volzin van het Chinese Burgerlijk wetboek (General Principles). Een lezing van dit artikel, samen met de andere bepalingen, maakt toch nog niet dat iedere 16- of 17-jarige dezelfde rechten heeft als een meerderjarige.

 

Het principe van de Chinese wetgeving is dat men probeert diverse zaken te regelen, maar bij lange na niet zover als men in onze overgebureaucratiseerde Nederlandse maatschappij heeft weten realiseren. Het consent en pragmatisme staan meestal voorop. Daarbij komt dat in al die wetten, zeker als het gaat om persoonsrechten, ook politieke motieven zijn verwerkt.

 

De latere leeftijd waarop men mag huwen is tot stand gekomen in het kader de bevolkings≠politiek en de geboortenbeperking. In de wet zijn bepalingen opgenomen tegen baby- en kindermoord, maar tevens is aangegeven dat volwassenen, met name binnen het huwelijk, de nodige verplichtingen hebben ten aanzien van de geboorteplanning. Abortus is een aldaar nagenoeg volledig geaccepteerde vorm van geboorteplanning.

 

In de wetgeving is verder nagenoeg niets geregeld dat van toepassing zou kunnen zijn op ongehuwde ouders, een kind van ongehuwde ouders zal hierdoor dus de nodige problemen kunnen ervaren, in weerwil van artikel 19 van de Huwelijkswet. Ook ten aanzien van tweede (of meer) kinderen  is nagenoeg niets geregeld, met name niet in de lagere regelgeving, waar vaak toch de meeste praktische gang van zaken wordt geregeld.

 

In de Chinese wetgeving is aangegeven, veel explicieter dan in Nederland, dat familieleden de eerst verantwoordelijken zijn zowel in opgaande als in neergaande lijn, om voor de medefamilieleden zorg te dragen, zie ook artikel 15 van de Huwelijkswet. Artikel 16 van Het Chinese Burgerlijke wetboek geeft aan op welke wijze de voogdij, de ouderlijke macht wordt geregeld bij ontstentenis van de ouders.

 

Dit alles wordt ook aangegeven in het ambtsbericht. Wel vind ik enigszins misleidend dat wordt aangegeven dat indien familieopvang ontbreekt, de Staat verantwoordelijk wordt. Dit ligt veel subtieler en hangt ook weer samen met de culturele achtergrond. Gezichtsverlies is nagenoeg het ergste wat een Chinees kan overkomen en derhalve zal niet snel hulp worden gezocht, noch zullen diverse instanties toegeven dat hulp nodig is.

 

In het ambtsbericht wordt feitelijk uitgegaan van een nagenoeg volledige zelfstandigheid van een 16- of 17-jarige: indien niet zelf in het onderhoud voorziend, dan zou deze in ieder geval op voldoende steun kunnen rekenen van zijn sociaal stelsel. Nog los van het feit dat, zoals ook al in het ambtsbericht wordt geconstateerd, werkgelegenheid een probleem is voor jongeren, past het niet binnen de normale acceptatie dat men beroep doet op allerlei hulp. Men dopt liever de eigen boontjes, al valt men er dood bij neer. Dit stuk realiteit met de nodige nuancering mis ik in het ambtsbericht.

 

Aanleiding om deze reactie te schrijven is dat te vaak maar het idee bestaat dat hetgeen door Buitenlandse Zaken wordt geschreven absoluut juist is. Over het algemeen, en dat blijkt ook wel uit dit ambtsbericht, benadert het wel de feiten vrij accuraat, maar het is geen rechtsbron of feitenbron, waar wel steeds naar verwezen wordt. Met name als wettelijke bepalingen worden aangehaald, is het van belang om na te gaan of de conclusies de enige juiste zijn. De IND vaart kennelijk immers blind op de algemene berichten. De individuele ambtsberichten dienen te worden gecontoleerd of zij op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Het lijkt mij dan ook niet meer dan correct te verlangen dat ook met de algemene ambtsberichten net zo zorgvuldig dient te worden omgegaan.

 

Ik denk dan ook dat vooraleer bepaalde conclusies aan een ambtsbericht worden verbonden, de IND de plicht zal hebben om de bronnen te controleren, danwel bepaalde conclusies, met name ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas achterwege te laten.

 

Anderzijds is het de taak van de rechtshulpverlener om meer alert in dergelijke zaken op te treden en dat in twee richtingen. Dit schept uiteraard nagenoeg onoverkomelijke problemen, want hoe kom je aan alle relevante informatie. Ik heb dan het geluk dat ik door omstandig≠heden dit jaar enkele contacten heb weten te leggen met zowel een Chinees advocaten≠kantoor als met enkele Chinese overheidsfunctionarissen. Tot nu hebben zij steeds op mijn verzoeken om informatie kunnen voldoen, zuiver als vriendendienst, maar het is niet steeds even eenvoudig gebleken. Het lijkt mij echter onmogelijk om dit steeds weer te doen, laat staan voor ieder land op de wereld.

 

Het is aan ons allen om eens te bedenken hoe deze materie kan worden aangepakt.

 

Waalwijk, 23 juli / 16 november 2001

 

 

M.A. Collet