ABRS

 

Up

Standpunt ABRS inzake China

(met name aangaande minderjarigen)

(last updated: 15 juni 2005)

LIJST met verzamelde uitspraken:

29 april 2005: beroep vreemdeling gegrond, beslissing Rechtbank Utrecht vernietigd, samen met beslissing IND. Intrekking AMV-vergunning, voorheen AMA-status, vraag of ambtshalve een verblijfsvergunning voortgezet verblijf moet worden verleend. Weliswaar is niet voldaan aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 3.51 lid 2 Vb, maar er dient ook getoetst te worden aan artikel 3.52 Vb. Deze zaak is inmiddels ook gepubliceerd onder JV 2005, 240, met uitgebreide noot waarin artikel 8 EVRM in dat kader wordt toegelicht omdat de Afdeling hier artikel 3.6 Vb buiten schot laat bij de toets aan 3.51 en 3.52 Vb.

18 november 2004: beroep Minister gegrond, beslissing Rechtbank Utrecht vernietigd, het ontbreken van concrete informatie aangaande Mongoolse minderheid maakt niet dat algemene conclusie aangaande Chinese minderjarigen, dat er adequate opvang is, geen opgeld meer doet. Door de vreemdelingen zijn daartoe immers geen concrete, uit objectieve bron afkomstige, nadere gegevens ingebracht die de conclusies van het ambtsbericht weerspreken.

15 november 2004: beroep vreemdeling gegrond, beslissing Rechtbank Haarlem vernietigd, beschikking op bezwaar vernietigd. Schending hoorplicht en verder mocht de Rechtbank niet zomaar aan toetsing artikel 8 EVRM voorbij gaan, ook al was dit na het bestreden besluit ingeroepen.

24 juni 2004: beroep Minister gegrond, Rb R'dam 4 maart 2004, buiten geschil getreden.

11 juni 2004: beroep Minister gegrond, Rb Almelo heeft het verkeerd begrepen, normale sociale situatie in China al voldoende voor adequate opvang, weeshuizen derhalve niet van belang. Commentaar toegevoegd waarom dit niet juist is, gezien in het perspectief van WI 192.

3 juni 2004: in bezwaar niet gehoord, dit is echter niet eerder aangevoerd, derhalve valt deze grief buiten de beoordeling van het bestreden besluit zoals gedaan door de Rechtbank.

2 juni 2004: Uitspraak in de MK Rotterdam zaak, hoger beroep gegrond, beroep alsnog ongegrond. Rechtbank mag niet ambtshalve aan beleid toetsen.

28 mei 2004:  in bezwaar niet gehoord, toch geen vraag die beantwoording behoeft. Na lange tijd geen reactie, alsnog deze beslissing, terwijl enkele andere zaken in hoger beroep, waarin expliciet beroep is gedaan op de beleidsregels (zoals ook belicht door de MK Rotterdam), nog in de pijplijn zitten om te worden beslist.

28 mei 2004: geboorte van kind had plaats voor het bestreden besluit, geen novum, dus ongegrond.

28 mei 2004: TBV 1996/1 is van toepassing, tekst Vc is vervallen door inwerking treden TBV 1996/1.

17 maart 2004: AMV-beslissing mag wettelijk gezien binnen AC-procedure, maar het is aan de Minister of hij daarvan afziet en het is aan de Rechtbank om te oordelen of op een concreet aanbod van bewijs van de zijde van de minderjarige door de Minister had moeten worden gewacht. In casu geen melding dat hij bewijs zou verzamelen, dus geen grond voor oordeel dat niet AC mocht worden afgedaan.

10 maart 2004: beslissing van Rb Rotterdam van 20 oktober 2003 alsnog ongegrond. De Rechtbank had terughoudend moeten toetsen, het is aan de Minister om te oordelen of nader onderzoek nodig was en of de aangedragen informatie wel enig nut zou hebben. Geloofwaardigheid omtrent identiteit is van doorslaggevend belang.

24 februari 2004: in bezwaar niet gehoord, toch geen vraag die beantwoording behoeft.

17 en 18 februari 2004: ondanks grief dat hangende bezwaar niet is gehoord is er volgens de Afdeling geen vraag die beantwoording behoeft.

22 januari 2004: vernietigt de beslissing van de Rechtbank Maastricht van 15 juli 2003. Horen in bezwaar niet nodig, nu uit bezwaar reeds aanstonds blijkt dat het ongegrond was.

16 januari 2004 en 19 januari 2004 (2x): geen vragen die beantwoording behoeven.

23 december 2003: GEGROND, psychische gesteldheid van belang bij oordeel over frustreren onderzoek, alsmede over de vraag of er in dat geval sprake is van adequate opvang, motiveringsgebrek en schending hoorplicht.

15, 17, 23, 24 december 2003: geen vragen die beantwoording behoeven (4x)

10 december 2003: geen vragen die beantwoording behoeven (3x)

3 december 2003: geen vragen die beantwoording behoeven

28 november 2003: bevestigt aangevallen uitspraak, gegrond beroep Dordrecht 29 juli 2003

19 november 2003: verwijst naar eerdere uitspraken en niet aangetoond in specifiek geval geen opvang

7 november 2003: verwijst naar (tweede) uitspraak van 31 oktober 2003

31 oktober 2003: hoorplicht in bezwaar geschonden, onduidelijkheid over adequate opvang

31 oktober 2003: onvoldoende aangedragen gronden, in eerste plaats lokale opvang, dan pas tehuizen

18 september 2003: verwijst naar uitspraak van 4 juli 2003

4 juli 2003: onvoldoende aangedragen om aan de juistheid en volledigheid te twijfelen van het ambtsbericht

UITWERKING van de hierboven genoemde zaken (inclusief commentaar):

Op 4 juli 2003 heeft de Afdeling een schijnbaar vernietigende uitspraak (met mr. R.W.L. Loeb als voorzitter) gedaan op claims dat er in China geen adequate opvang zou zijn voor minderjarige kinderen. Dezerzijds is steeds betoogd dat zonder de onderliggende stukken een beroep op die uitspraak, zoals dat door de IND telkenmale lijkt te geschieden, niet als serieuze onderbouwing van hun standpunt kan worden gezien. Ondanks verzoeken daartoe werden de onderliggende stukken nimmer ingebracht, er werd niet eens gereageerd op die verzoeken.

Inmiddels is mij wel duidelijk waarom. In de zaak in kwestie zijn de volgende feiten aangedragen.

De Chinese minderjarige is geboren in 1986. (Zij zou meerderjarig worden voordat ze drie jaar in NL zou zijn.)
Zij is afkomstig uit de provincie Zhejiang, uit een klein dorp.
Zij verbleef sinds 20 januari 2002 in Nederland en op 15 mei 2002 is de aanvraag ondertekend.
In het AC-model is de asielaanvraag afgewezen op 17 mei 2002 (383Kb, pdf).
Op 29 juli 2002 werd het bezwaar (107Kb, pdf) ongegrond verklaard (219 Kb, pdf), waartegen op 26 augustus beroep is aangespannen (87 Kb, pdf).
Op 19 maart 2003 werd de zaak in Den Haag bij de ons welbekende rechter mr. G.P. Kleijn behandeld.

De uitspraak van de Rechtbank (432 Kb, pdf) van 28 maart 2003 is op 17 april 2003 naar de gemachtigde verzonden, waartegen op 15 mei 2003 hoger beroep (257 Kb, pdf) is ingesteld.

Als grief is in dat hoger beroep aangedragen dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de IND het ambtsbericht van april 2001 mag gebruiken voor de conclusie dat er sprake is van adequate opvang. Daarbij is gewezen op het feit dat in het ambtsbericht zelf staat dat de kwaliteit van de opvang sterk verschilt per regio. Daarbij is tevens verwezen naar een email van UNICEF Beijing (51 Kb, pdf) waaruit blijkt "...that no blanket statement could be made regarding the quality of the care in all child welfare centres or alternative care settings."

Er is tevens betoogd dat het beleid om middels het ambtsbericht de bewijslast om te draaien, onredelijk is. Er staat immers niet vast dat de opvang in China overal adequaat is, de kwaliteit van de opvang verschilt per regio nu eenmaal sterk (volgens het ambtsbericht).

Uit de uitspraak van de Rechtbank, welke in hoger beroep werd aangevochten, blijkt dat als argumenten werden aangedragen om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid ervan:
- een emailbericht van UNICEF Beijing (51 Kb, pdf)
- een brief van 14 december 2001 van de heer Vermeer (5 Kb, pdf)
- een brief van het ILO van 7 oktober 2002
- een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 31 oktober 2002 (130Kb, pdf)

Verder meent de Rechtbank dat het niet aan de IND is om aan te geven waar een Chinese minderjarige dan kan worden opgevangen, of zich zelfs maar te melden om voor opvang in aanmerking te komen. De overgelegde documenten betreffen verder niet de individuele situatie en derhalve, meent de Rechtbank, kan ook voor de individuele situatie niet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van opvang.

Conclusie:

In deze zaak is relatief weinig expliciet aangehaald dat als argument had kunnen worden gebruikt om het ambtsbericht onderuit te halen, al is wel al het materiaal in het dossier aanwezig. De rechter had dus ambtshalve de feiten kunnen aanvullen (8:69 lid 3 Awb). De rechter is uitermate lijdelijk te werk gegaan.

Nu de rechter er verder weinig mee doet, is het dan ook niet zo vreemd dat de Afdeling in hoger beroep concludeert dat "appellante geen concrete informatie, afkomstig uit objectieve bron, naar voren heeft gebracht, op grond waarvan de rechtbank had kunnen beoordelen dat de minister bij zijn besluitvorming niet van de juistheid van het ambtsbericht heeft mogen uitgaan" en "In het licht van deze conclusie heeft de rechtbank evenzeer terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om desgewenst aannemelijk te maken dat adequate opvang in een individueel geval niet mogelijk is" en "De Minister heeft voorts niet door appellante aannemelijk gemaakt hoeven achten dat in haar geval de mogelijkheid van adequate opvang ontbreekt,..."

Het lijkt dan ook zinvol om te controleren uit welke provincie iemand afkomstig is, en bij voorkeur waar de woonplaats gelegen is. Het verschil platteland en stad is groot. Welke leeftijd iemand heeft, wanneer iemand in Nederland is aangekomen (welk beleid is van toepassing) en andere factoren die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van adequate opvang (was iemand of diens ouders wel in het hukou geregisteerd?). Deze gegevens kunnen dan alvast worden gebruikt om een kader te scheppen.

Uit de mij beschikbare stukken kan ik niet afleiden dat expliciet is betwist dat het onderzoek naar de weeshuizen niet representatief is voor zelfs de gebieden waar de meeste Chinese minderjarige asielzoekers vandaan komen (Fujian, Zhejiang en Jiangxi; Beijing en Shanghai zijn dat immers niet). In de bewuste zaak was een brief van Buitenlandse Zaken (d.d. 31 oktober 2002, 170 Kb), gericht aan de SRA Arnhem, overgelegd. In deze brief wordt gesteld dat alle zeven bezochte weeshuizen lagen in gebieden waar veel chinese minderjarigen vandaan komen, hetgeen dus een onjuiste bewering is. In casu is in de provincie Zhejiang bij Wenzhou en in Ningbo een bezoek afgelegd, maar ik verwijs voor verder commentaar daarover naar mijn reactie van 14 september 2003.

Er is daarnaast al veer meer informatie beschikbaar op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat het ambtsbericht niet  juist en niet volledig is. Die informatie is in deze zaak niet aan de orde geweest en derhalve kan nagenoeg ieder beroep op deze zaak dan ook worden gepareerd met het feit dat men appels met peren aan het vergelijken is. Het lijkt mij wel verstandig om duidelijk en nog beter gemotiveerd aan te geven op welke stukken verder beroep gedaan wordt.

In deze zaak is de brief van Buitenlandse Zaken naar mijn mening te weinig uitgebuit. Die brief staan immers onjuiste antwoorden en ontwijkingen. Zo is op de vraag waarom er zoveel straatkinderen zijn, geen echt antwoord gegeven, terwijl dat wel een onderbouwing is voor de stelling dat er geen sprake is van adequate opvang. Er wordt slechts gesteld dat er weinig weeskinderen zitten tussen de straatkinderen en als enige verklaring voor het grote aantal straatkinderen, valt te lezen dat ze nadat ze naar huis zijn gestuurd, ze weer door de ouders op straat worden gezet om te bedelen. Dit armoedeprobleem is wel de hoeksteen van het probleem inzake adequate opvang. Zonder geld kunnen kinderen nu eenmaal geen adequate opvang geboden worden.

Er is in deze zaak geen beroep gedaan op bijzondere omstandigheden, ze zijn er ook niet. Ik verwijs ook naar de pagina met een opsomming van uitspraken en de aldaar gehanteerde argumenten, want het is kennelijk van belang die in het geval ze zich voordoen ook aan te stippen.

Op 18 september 2003 (156Kb, pdf) heeft de Afdeling (mr. H. Troostwijk) wederom haar uitspraak van 4 juli 2003 bevestigd. In een andere zaak werd wederom geoordeeld dat de ingebrachte stukken geen concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht. De beslissing van de Rechtbank blijft derhalve gehandhaafd. De Afdeling verwijst hierbij expliciet naar de uitspraak van 4 juli 2003 en geeft aan dat de rechtsvraag zoals opgeworpen in de grief, reeds toen is beantwoord en gepubliceerd in JV 2003/367. Dat klinkt reeds alsof er in deze zaak weinig nieuws is aangedragen ten aanzien van de zaak van 4 juli 2003.

Inmiddels heb ik van deze zaak ook de stukken kunnen bestuderen en kan daaruit niet concluderen dat het geen zin meer heeft om te procederen tegn het standpunt van de IND, integendeel het wordt mij nu wel duidelijk waarom de IND simpelweg de onderliggende stukken niet prijs geeft.

In deze zaak is de Chinese minderjarige geboren in 1989.
Zij is afkomstig uit de provincie Liaoning, uit een grote stad.
Zij verbleef sinds 3 april 2002 in Nederland, op welke dag ze de asielaanvraag ook heeft ondertekend.
In het AC-model is de asielaanvraag afgewezen op 6 april 2002 (321 Kb, pdf).
Op 10 september 2002 werd het bezwaar (148 Kb, pdf) ongegrond verklaard (332 Kb, pdf), waartegen op 7 oktober 2002 beroep (198 Kb, pdf) is aangespannen.
Op 17 juni 2003 werd de zaak in Zutphen bij rechter mr. A.J. Weerkamp-Beens behandeld.

De uitspraak (213 Kb, pdf) van de Rechtbank van 15 juli 2003 is op 22 juli 2003 naar de gemachtigde verzonden, waartegen op 19 augustus 2003 hoger beroep (159 Kb, pdf) is ingesteld.

Als grief is ook hier aangedragen dat onterecht was overwogen dat hetgeen in beroep was aangedragen onvoldoende was om te concluderen dat de IND niet kan worden gevolgd in de conclusie dat er sprake is van adequate opvang. Hierbij is aangegeven dat van de regio van eiseres niets vermeld wordt in het ambtsbericht van 9 april 2001, noch was ingegaan op de specifieke leeftijdsaspecten die in beroep waren aangedragen. Daarnaast is als grieven 2 en 3 overwogen dat geheel niet ingegaan was op het beroep op het Kinderrechtenverdrag en dat ten onrechte geconcludeerd werd tot een kennelijk ongegrond bezwaar en zodoende de hoorplicht was geschonden.

Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt dat als argumenten werden aangedragen om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht:
- emailbericht van R. Munro
- bericht van D. Thomissen van Vluchtelingenwerk Rijnmond
- brief van de heer E.B. Vermeer, medewerker van het Sinologisch Instituut te Leiden
- artikel uit een Belgisch medium, printkopie via internet (www.bop.vgc.be/tijdschriften/wablieft/wab189/89buichi.txt)

De Rechtbank oordeelt verder dat adequate opvang niet hoeft te worden gemeten naar Nederlandse normen. Kennelijk heeft ter zitting nog een discussie plaatsgevonden over de door de IND gehanteerde terminologie: "naar plaatselijke maatstaven". Voor kritiek op die term, verwijs ik ook naar mijn stukken, o.a. van 14 september 2003.

Conclusie:

Ook in deze zaak is relatief weinig expliciet aangehaald dat als argument had kunnen dienen om het ambtsbericht ten principale te bestrijden. Het is opvallend dat de Rechtbank wel erg summier motiveert, er is geen enkele overweging gewijd aan het Kinderrechtenverdrag en de opmerking dat er geen bronvermelding is bij het Belgisch artikel, kan ik ook niet volgen, het is immers juist wel goed traceerbaar (het betreft immers een internet-nieuws-site). Dat het een wat ouder artikel is (januari 1996), doet daar verder niets aan af, de relatief gemakzuchtig ogende wijze waarop de Rechtbank de informatie ter zijde schuift, roept wel vraagtekens bij mij op. Daarbij komt dat de Rechtbank ambtshalve kennis heeft van de bij in ieder geval bij andere zittingsplaatsen ingebrachte meer concrete kritiek op het ambtsbericht en dat die informatie ondanks artikel 8:69 lid 3 Awb niet is meegenomen.

Nu de rechter verder niets meer heeft opgenomen in haar uitspraak en in het hoger beroep niet met andere argumenten is gekomen, is het dus wederom niet zo bevreemdend dat verwezen wordt naar de eerdere uitspraak van 4 juli 2003.

Op 31 oktober 2003 (382Kb, pdf) heeft de Afdeling (mr. Vlasblom als voorzitter) de uitspraak van de MK bevestigd, maar met verbetering van de gronden. De Afdeling is van mening dat de Rechtbank terecht oordeelde dat de beslissing op bezwaar in strijd is met artikel 7:3, aanhef en onder b Awb, nu het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat slechts van horen kan worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Van belang is dat hier geconstateerd wordt dat in bezwaar naar voren is gebracht dat ten onrechte wordt uitgegaan van adequate opvang in China en dat de situatie in opvanghuizen deplorabel is. Deze gronden gezien in het licht van het bestreden besluit en het toen van toepassing zijnde toetsingskader, sluit niet uit dat tijdens de hoorzitting alsnog feiten en omstandigheden naar voren zouden zijn gebracht die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben geleid.

Voor wat betreft de adequate opvang, meent de Afdeling dat de Rechtbank van een verkeerd beleid uitgaat, door te stellen dat de opvang slechts mogelijk is in eigen kring of opvanghuizen. Doordat volgens het ambtsbericht (en dus ook het beleid) opvang ook door de lokale gemeenschap, pleegouders, particuliere opvang of door zelfstandige vestiging geregeld kan worden, is derhalve uitgegaan van een onjuiste uitleg van het beleid. De Afdeling is dan ook van mening dat de Rechtbank van het onjuiste toetsingskader is uitgegaan.

De Afdeling is van mening dat de Rechtbank ten onrechte oordeelt dat de Minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opvang in tehuizen ten opzichte van 1996, zich zodanig heeft verbeterd dat de opvang in tehuizen zich zodanig heeft verbeterd dat in het algemeen de opvang in tehuizen adequaat is. Dat er sprake is van een minder ontwikkelde provincie en dat die opvang er kan verschillen doet daar niet aan af.

De Afdeling geeft nog steeds niet aan dat de opvang in China voor alle gevallen adequaat is of niet, er worden al wel meer (en tegelijkertijd ook minder) woorden aan gewijd en het is de vraag waar de grens ligt. De Afdeling laat zich enkel uit over de stelling aangaande de adequatie van opvang in weeshuizen en dat de beschikbare informatie (al betreft het slechts enkele weeshuizen die bezocht zijn) vervolgens in redelijkheid tot het standpunt mag leiden dat die opvang adequaat is in de weeshuizen. Nog los van de vraag of dat wetenschappelijk verantwoord is, betekent dit dat bekeken moet worden of dat de vraag beantwoord of er steeds sprake is van adequate opvang. Zoals de MK al afvroeg, als er geen weeshuis is, kom je dan in adequate opvang terecht?

De Afdeling omzeilt dit probleem. Er wordt niet bekeken of het ambtsbericht ook voldoende bodem geeft voor de conclusie dat die lokale gemeenschap de opvang adequaat kan regelen. De Afdeling concludeert slechts dat de Rechtbank een verkeerd toetsingskader gehanteerd heeft en dat de grief om die reden slaagt. Of dit leidt tot de conclusie dat de opvang dan wel steeds adequaat is, wordt niet (meer) gezegd door de Afdeling. Aan de andere kant, zou je uit de opmerking dat tijdens de hoorzitting nog aanvullende informatie naar boven had kunnen komen, kunnen lezen dat wat er nu ligt nog niet voldoende is. Waar denkt de Afdeling aan? Want als ze overtuigd was dat er wel adequate opvang is, waarom zou dan de zaak niet alsnog zijn afgedaan? Hetgeen weer juist pleit voor de conclusie dat de Afdeling ook nog niet overtuigd is dat er steeds sprake is van adequate opvang.

Hier zit dan ook de ruimte die volgens mij gelaten wordt. In het ambtsbericht wordt immers alleen maar gesteld dat er steeds adequate opvang is, in ieder geval kan die conclusie gelezen worden in de flankerende TBV's, maar op generlei wijze is ergens gemotiveerd, laat staan onderbouwd waarom dit sinds 1998 veranderd is en nu wel als adequaat kan worden aangemerkt. Vergeten mag immers niet, dat in 1998 de conclusie nog was dat er geen adequate opvang was en dat er dus wel degelijk een referentiepunt is. De IND heeft steeds gesteld dat de feitelijke situatie veranderd was en dat daarom geen bescherming meer diende te worden geboden. Ik blijf van mening dat juist hier in Nederland het standpunt gewijzijgd is, en als dat toelaatbaar moet worden geacht, dat dit dan in ieder geval niet met terugwerkende kracht kan gelden.

Op 31 oktober 2003 (266Kb, pdf) heeft de Afdeling (mr. Vlasblom als voorzitter) nog een andere uitspraak gedaan, waarbij het appèl ingesteld door de vreemdeling tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda werd afgewezen. In deze uitspraak wordt iets dieper ingegaan op het gevoerde beleid, de wijze waarop bepaald wordt of er sprake is van adequate opvang. Vervolgens wordt in r.o. 2.5 opgesomd wat er aan elementen is aangedragen om te oordelen dat de opvang in tehuizen in China thans als adequaat kan worden aangemerkt.

In r.o. 2.6 wordt dan aangegeven dat het uitgangspunt dat de opvang thans voor heel China als adequaat moet worden aangemerkt niet alleen gebaseerd is op de kwaliteit van opvang in tehuizen, maar in de eerste plaats op de stelling dat de opvang vrijwel altijd bestaat uit opvang in eigen kring, opvang door de lokale gemeenschap, opvang door pleegouders, particuliere opvang of zelfstandige vestiging van de oudere minderjarige onder toezicht van de autoriteiten. Volgens de Afdeling heeft de Rechtbank dat niet miskend. Hiermee zou de Afdeling dus verder niets meer hoeven te zeggen, maar dat doet ze in één ademteug toch nog wel.

De Afdeling oordeelt immers dat de aangedragen gronden (beperkt aantal opvanghuizen bezocht, verschil kwaliteit per provincie en afkomst uit een arme provincie) om te twijfelen of de overheidsopvang van minderjarigen adequaat is, vormen onvoldoende grond voor een ander oordeel. Derhalve is het standpunt dat de vreemdeling maar moet bewijzen dat in zijn geval geen adequate opvang aanwezig is redelijk te noemen.

Net als in de vorige uitspraak, gaat de Afdeling om de hete brij heen. Er wordt geen oordeel gevormd over de kwaliteit van de opvang en of er opvang aanwezig is. Al wordt niet gesteld dat het toetsingskader onjuist was (integendeel, de Rechtbank ging volgens de Afdeling terecht uit van lokale opvang eerst) wordt niet gesteld dat niet aangetoond zou kunnen worden dat er redenen zijn om te twijfelen aan die opvang. De aangedragen gronden worden in deze zaak echter als onvoldoende bestempeld.

In dat kader is het ook interessant om te kijken wat er verder in deze procedure is gebeurd.

De Chinese minderjarige is geboren in 1987.
Hij is afkomstig uit de provincie Hainan.
Hij was sinds 30 april 2002 in Nederland en op 14 mei 2002 is een aanvraag ondertekend.
In het AC-model is de asielaanvraag afgewezen op 16 mei 2002 waartegen bezwaar is ingesteld.
Op 17 juli 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard, waartegen op 13 augustus 2002 beroep is ingesteld.
Op 12 juni 2003 is de zaak in Breda bij mr. M.L. Weerkamp (voormalig asieladvocate) behandeld.

Tegen de uitspraak van 19 juni 2003, verzonden op 27 juni 2003, is op 6 juli 2003 hoger beroep ingesteld.

In de uitspraak van de Rechtbank staat in r.o. 6.1 te lezen dat de juistheid van het ambtsbericht niet wordt betwist, maar dat de vraag is of het wel als voldoende basis kan dienen. Naar mijn mening wordt hiermee reeds teveel prijs gegeven, juist omdat op de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht nog het nodige af te dingen valt.

Zoals te zien zijn deze zaak en die waar de Afdeling reeds op 4 juli 2003 een oordeel velde enigszins gelijklopend, zelfde periode aanvraag en zelfde advocaat. Alleen was er tijdens het indienen van dit appel al meer bekend dan bij die van 4 juli 2003. In het appelschrift zijn dan ook drie grieven aangehaald, de eerste grief van de zaak van 4 juli 2003 wordt feitelijk in twee gesplitst, maar door de Afdeling weer als één behandeld. Door het splitsen zijn wellicht meer punten aan de orde gekomen in de uitspraak van de Afdeling.

In de eerste grief wordt het ambtsbericht als basis gebruikt om te stellen dat de kwaliteit van de Children Wellfare Institutes in China sterk verschilt en derhalve over Hainan niets gezegd kan worden (daar is immers geen enkel opvanginstituut bezocht. Hierbij wordt ook, net als in de zaak van 4 juli 2003, verwezen naar het email bericht van UNICEF. Er kan volgens de grief dus niet gesteld worden dat alle opvang adequaat is, dus is het onredelijk om reeds op basis hiervan de bewijslast om te draaien.

In de tweede grief wordt geklaagd dat volgens de Rechtbank naar de opvangmogelijkheden in het land en niet de regio gekeken moet worden en vervolgens wordt gesteld dat nu over de opvang in weeshuizen niets bekend is, er geen sprake is van adequate opvang. Met Hainan als arme provincie, moet dan ook ernstig rekening gehouden worden met onvoldoende adequate opvangmogelijkheden.

Nu in r.o. 6.2 staat aangegeven: "Voorts vindt opvang plaats bij pleegouders, dan wel -in geval van wat oudere minderjarigen-  door tussenkomst van wijkcomités..." had dit aspect zeker aangevallen moeten worden in een grief. De Afdeling heeft nu een uitweg gekregen. In zaken waar dit aspect wel bestreden wordt, kan deze uitspraak van de Afdeling derhalve niet als voldoende weerlegging gebruikt worden door de IND.

In een uitspraak van 7 november 2003 (112Kb, pdf) wordt door de Afdeling (mr. J.E.M. Polak) klakkeloos verwezen naar de voorgaande uitspraak. Ondanks dat in het appelschrift nu door mij verwezen is naar alle aanvullende informatie, lijkt het er simpelweg op dat de Afdeling in deze casus geen zin heeft gehad zich nogmaals over de kwestie te buigen. De motivering is zo kort, dat op generlei wijze kan worden gesteld dat deze uitspraak waarde moet worden toegedicht. De zaak waarnaar wordt verwezen verschilt immers wezenlijk van de onderhavige zaak, al is het maar omdat nu wel (zij het pas in appél) de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht in volle omvang wordt betwist.

De Chinese minderjarige is geboren in 1985, is net 18 jaar geworden.
Zij is afkomstig uit de provincie Guangdong, uit een klein dorp nabij Guangzhou.
Zij verbleef in Nederland sinds 30 mei 2000 en op 22 oktober 2002 is de asielaanvraag afgewezen. Op 6 januari 2003 werd het bezwaar ongegrond verklaard en op 25 april 2003 werden de beroepen asiel en AMA behandeld bij rechter mr. F.H. Machiels in Roermond. De uitspraak is van 10 september 2003, derhalve na de nieuwste TBV en dat kun je ook in de motivering van de uitspraak lezen. Het accent ligt dan ook op de opvang bij wijkcomités. In beroep is aangedragen:
- emailbericht E.B. Vermeer
- emailbericht R. Munro
- slechts enkele weeshuizen bezocht
- dat er dreiging is van gedwongen prostitutie

Dat laatste is saillant omdat ik in de informatie die ik verzameld heb, in tegenstelling tot hetgeen in het ambtsbericht is aangedragen, veel nadruk krijg op het probleem van de zwerfkinderen. Niet alleen zijn de aantallen met meer dan een factor 10 hoger, ook wat er vervolgens met hen gebeurt, zoals gedwongen prostitutie, wordt door mij wel aangekaart. De Rechtbank had dit aspect overigens verworpen op basis van het feit dat dit onvoldoende was geconcretiseerd. In appél zijn alle aspecten wel aangekaart en verder onderbouwd, het gaat immers over de vraag of de feiten wel juist zijn beoordeeld. Omdat ik in de uitspraak niet kan lezen of zulks nu wel of niet is geschied, vraag ik mij enerzijds af of de feiten beter in bezwaar en beroep aan bod hadden moeten komen en anderzijds of mijn appélschrift wel helder genoeg is geweest.

Naar aanleiding van deze uitspraak heb ik voor de zekerheid in de andere nog lopende appelzaken een aanvullende brief verzonden om hierop te wijzen. Met name op de vraag of het ambtsbericht voldoende informatie verschaft om in tegenstelling tot 1998 en daarvoor te komen tot de conclusie dat er lokaal opvang is. De vraag of er sprake is van opvang bij pleegouders, wijkcomités etc... wordt immers niet beantwoord in het ambtsbericht aan de hand van controle of ergens op betwrouwbare wijze verkregen informatie. Het is slechts een conclusie die gebaseerd is op een stukje wetgeving (General Principles of Civil Law), regels die er ook al waren in 1998 toen nog geconcludeerd werd dat er geen adequate opvang was.

In een uitspraak van 19 november 2003 (153Kb, pdf) wordt door de Afdeling (mr. R.W.L. Loeb als voorzitter) wederom verwezen naar de uitspraken van 4 juli 2003 en die van 31 oktober 2003. De hiervoor genoemde brief die verzonden was, is retour gezonden met de mededeling dat het onderzoek reeds gesloten was.

Dat laatste is weer jammer, omdat zo onduidelijk blijft hoe en waarop de Afdeling kennelijk tot de conclusie komt dat er sprake is van adequate opvang in alle gevallen. De grief dat de redenering in het ambtsbericht over opvang in buurtcomités onvoldoende objectief en onvolledig is, wordt immers weer via verwijzing naar de opvang in verzorgingshuizen en hetgeen reeds is opgemerkt in de eerdere uitspraken van 4 juli 2003 en 31 oktober 2003 verworpen. Volgens de Afdeling doet de grief niet af aan het eerdere standpunt van de Afdeling, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat adequate opvang in dit geval niet mogelijk is.

Het lijkt er dan ook op dat de Afdeling wil vasthouden aan de gedachte dat er wel steeds adequate opvang is en dat het aan de minderjarige vreemdeling is om aan te tonen dat er geen adequate opvang is. De vraag is of de Afdeling dan getoetst heeft aan hetgeen in de procedure is aangedragen, of ook aan hetgeen aan feiten alsnog in appèl is ingebracht. In dat laatste geval, vraag ik mij dan weer af welke (wetenschappelijke) argumenten de Afdeling dan wel kunnen overtuigen? Het getuigt dan van een zeer gouvernementele benadering, aangezien simpel en vrijwel zonder kritische blik het standpunt van de overheid wordt gevolgd. Dit lijkt mij in dit soort zaken in strijd met internationale bepalingen.

In het IVRK is in artikel 3 bepaald dat de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen. Gelet op artikel 4 IVRK dient het verstrekken van een verblijfsvergunning als recht te worden gezien voor het alleenstaande kind, aangezien enkel op deze manier met de binnen de ter beschikking staande middelen de in het IVRK erkende rechten kunnen worden verwezenlijkt. Gelet op artikel 19 IVRK (zie ook 22, 32, 34, 35, 36 IVRK) en de vele berichten aangaande zwerfkinderen, dient vooralsnog enkel al om die reden de vereiste bescherming in Nederland te worden geboden. De vraag of van kinderen verlangd kan worden dat zij aannemelijk maken dat er voor hun specifieke geval geen adequate opvang is, lijkt mij zondermeer absurd, als is het maar omdat indien van de juistheid van de conclusie van de IND (op basis van het ambtsbericht) moet worden uitgegaan, er altijd wel opvang is geregeld.

De vraag is dus nog steeds of de IND terecht de bewijslast heeft omgedraaid. Volgens mij is er in de ambtsberichten daarvoor te weinig informatie en is informatie die juist tot het tegendeel had kunnen en moeten leiden (de zwerfkinderenproblematiek) weggelaten, althans onvoldoende belicht. Gelet op de internationale bepalingen is er dan ook nog steeds sprake van schending van de rechten van het kind. Een nadere brief in de nog openstaande appèlzaken zal ik dan ook wederom verzenden.

Voor de volledigheid nog de basisgegevens van deze zaak. De Chinese minderjarige is geboren in 1987 en voordat zij drie jaar in Nederland zou zijn, zou zij reeds 18 jaar zijn geworden. Zij is afkomstig uit een klein stadje in de provincie Sichuan. Zij verbleef sinds 13 september 2003 in Nederland en op 21 september 2003 is de asielaanvraag (AC-procedure) afgewezen. Op 8 oktober 2003 is het beroep door de Rechtbank Amsterdam (mr. C.H. Rombouts) afgewezen. In beroep was aangedragen:
- niet geschikt voor AC-afdoening, ondanks wisselende jurisprudentie
- slechts enkele weeshuizen bezocht, zie ook MK Haarlem
- volgens UNICEF zijn vondeling-(meisjes-)adolescenten juist "vulnerable"
- de notitie van 14 september 2003

Bij uitspraak van 3 december 2003 heeft de Afdeling  (bij monde van mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen) in haar wijsheid één van de appelschriften, sterk gelijkend op twee waarop reeds wel was beslist, afgewezen met de ons intussen welbekende formule:

"Hetgeen in het hoger-beroepschrift is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan."

De Chinese minderjarige in casu, had op 13 april 2000 in Nederland asiel aangevraagd, na op 4 april 2000 in Nederland te zijn aangekomen en zich reeds te hebben gemeld. Na leeftijdsonderzoek, is de minderjarige leeftijd alsnog geaccepteerd. De asielaanvraag is samen met de AMV afgewezen op 9 april 2002 en het bezwaar is op 29 juli 2002 afgewezen. Het beroep is behandeld bij de Rechtbank Roermond (mr. F.H. Machiels) op 14 augustus 2003, uitspraak 24 september 2003. In beroep was aangedragen:
- emailbericht Munro
- ter zitting nog verwezen naar bekende stukken, niet nader vernoemd in uitspraak

Bij uitspraken van 10 december 2003 is in drie andere appèlzaken (respectievelijk bij monde van mr E.A. Alkema, mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak) wederom besloten om geen vragen opgeworpen te zien die gelet op artikel 91 lid 2 Vw 2000 beantwoord dienen te worden.

Het betreft twee zaken die destijds op 26 september 2003 door de Rechtbank Arnhem zijn afgewezen en waar ik ter zitting op 3 juni 2003 het algemene pleidooi heb gehouden. Ook is er een zaak tegen de Rechtbank Middelburg waarbij op 18 augustus 2003 het beroep ongegrond was verklaard.

In die laatste zaak is gesteld dat er geen adequate opvang is, dat het ambtsbericht onvoldoende informatie bevat om een andere conclusie te rechtvaardigen en dat nu de opvangkwaliteit sterk verschilt, niet volstaan kan worden met onderzoek in slechts zeven opvanginstellingen in slechts drie provincies. Deze jongen is nu net 16 jaar geworden en had in mei 2002 asiel aangevraagd.

In de twee Arnhemse zaken is er sprake van een thans 17-jarig meisje dat op 7 januari 2001 in Nederland asiel heeft aangevraagd en een thans 19-jarige jongen die op 21 december 1999 asiel aanvroeg en wiens AMA-vtv op 24 juni 2002 is ingetrokken, waartegen dan wel geprocedeerd is geweest.

In de uitspraken van 15, 17, 23 en 24 december 2003 betreft het drie maal een appèl tegen uitspraken van de Rechtbank Arnhem en eenmaal tegen een uitspraak van de Rechtbank Roermond (respectievelijk gewezen bij monde van mr A.W.M. Bijloos (2x), mr H. Troostwijk (2x)). De appèlschriften lijken op die waarin uitspraak is gedaan op 10 december 2003, mede omdat de uitspraken van de Rechtbanken ongeveer hetzelfde betoogden. Gelet op de bewoordingen van de Afdeling kan er slechts worden geconstateerd dat de Afdeling kennelijk meent dat een verwijzing naar eerdere uitspraken niet nodig is om te stellen dat er geen nieuwe feiten en/of argumenten zijn die beantwoording behoeven. Voor iemand die echter niet op de hoogte is van die andere uitspraken en met name de aldaar gehanteerde inhoud kan dit wel eens heel anders overkomen en gelet op het individuele karakter dat de rechtspraak toch behoort te hebben, stel ik toch vraagtekens bij het gebruik van artikel 91 lid 2 Vw2000 in deze zaken.

In de Roermondse zaak betrof het een jongen die inmiddels 18 was geworden, maar al meer dan drie jaar in Nederland verbleef (sinds februari 2000). De in eerste instantie verleende verblijfsvergunning was verlengd tot 8 februari 2002, om daarna niet meer verlengd te worden.

In één Arnhemse zaak was eveneens sprake van een gelijkaardige situatie als die van Roermond, een jongen inmiddels meerderjarig en al meer dan drie jaar in Nederland (sinds maart 2000), verblijfsvergunning verlengd tot 30 maart 2002 en daarna niet meer.

In de andere twee Arnhemse zaken was er sprake van een niet verlenen van een verblifjsvergunning, bij een nog steeds minderjarig meisje dat sinds mei 2001 in Nederland was en een vorige maand meerderjarig geworden jongen die al sinds maart 2000 in Nederland was, maar nimmer in het bezit gesteld was van een verblijfsvergunning.

In een uitspraak van 23 december 2003 (270Kb, pdf) heeft de Afdeling (bij monde van mr. M. Vlasblom als voorzitter, T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos als leden) overwogen dat de Rechtbank heeft miskend dat de Minister zonder nader onderzoek voorbijgegaan is aan de stelling van appellant dat juist vanwege de gestelde psychische stoornis onjuiste of tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd (van belang voor het "frustreren" van onderzoek in China), dat niet is ingegaan op de stelling dat vanwege de psychische stoornis er geen adequate opvang is en derhalve eveneens ten onrechte van het horen is afgezien. De uitspraak van de Rechtbank Dordrecht van 19 augustus 2003 wordt vernietigd, alsmede de beschikking van de Minister van 10 januari 2003. (zie ook JV 2004, 79 met noot Spijkerboer)

Deze uitspraak is uitermate interessant omdat het bij mijn weten de eerste is waarin een Chinese asielzoeker bij de Afdeling gelijk krijgt. Het leek er even op dat de Chineze vogelvrij waren in de vreemdelingrechtelijke procedure. Uiteraard mag de uitspraak van 31 oktober 2003 niet worden vergeten, daar kreeg de IND niet echt gelijk, maar werd ook de asielzoeker in het ongelijk gesteld. De schending van de hoorplicht was toen de uitweg. In deze zaak heeft de asielzoeker echter op eigen kracht, maar ook door schending van die hoorplicht de zaak gewonnen. Noch IND noch Rechtbank wilden meegaan met het betoog dat psychische problemen een reden waren voor de mogelijk onjuiste verklaringen en meer dat de psychische problemen een barrière vormen voor het krijgen van adequate opvang in China. De Afdeling oordeelt dat dit nader onderzocht had moeten worden en dat daarom de hoorplicht is geschonden.

Op 16 januari 2004 oordeelt de Afdeling bij monde van mr. J.E.M. Polak wederom dat het aangevoerde geen vragen opwerpt die het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin raken. Het betrof een AC-procedure waarbij op 4 december 2003 afwijzend was beslist door de Rechtbank Den Bosch. De minderjarige had op 10 november 2003 asiel aangevraagd en was op dat moment 14 jaar, zij het dat de IND op basis van leeftijdsonderzoek kwam tot een leeftijd van 15 jaar. De asielzoeker is afkomstig uit de provincie Shandong.

Op 19 januari 2004 oordeelt de Afdeling bij monde van mr. J.E.M. Polak dat er geen grond is voor het oordeel dat in het geheel geen sprake is van grieven als bedoeld in artikel 85 Vw lid 1 Vw2000, maar dat de grieven evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kunnen leiden omdat het geen vragen opwerpt die.... Het betrof eveneens een AC-zaak waarbij op 10 december 2003 door de Rechtbank Den Bosch afwijzend was beslist. De minderjarige was 15 jaar en had op 16 november 2003 asiel aangevraagd en is afkomstig uit de provincie Sichuan.

Op 19 januari 2004 oordeelt de Afdeling bij monde van mr. M.G.J. Parkins-de Vin dat er geen vragen zijn opgeworpen. Het betrof hier een appél tegen een uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 3 oktober 2003, welke behandeling plaats vond op 2 juli 2003. Er was verwezen naar het HRW rapport van 1996, naar reacties van Munro (december 2001 en juli 2002), Vermeer (december 2001) en Collet (niet benoemde stukken). De asielzoeker was14 jaar toen hij in Nederland op 2 april 2000 een asielaanvraag indiende en hij is afkomstig uit de provincie Fujian. Op 19 juli 2000 was hij in het bezit gesteld van een AMA-status welke nog is verleng tot 2 april 2002, maar op 2 juli 2002 is de opvolgende verlenging afgewezen.

Op 22 januari 2004 (293 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr. R.W.L. Loeb, mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens, dat de beslissing van de Rechtbank Maastricht moet worden vernietigd en beslist vervolgens dat beroep ongegrond te verklaren. De stelling van de vreemdeling dat er geen familie of verwanten zijn, dat weeshuizen en andere instellingen, alsmede de lokale gemeenschap geen adequate opvang kunnen bieden, vergt geen nader onderzoek, ook als de aanvraag is ingediend voor 4 januari 2001. Er is verder geen concrete informatie (uit objectieve bron) naar voren gebracht op basis waarvan getwijfeld dient te worden aan  juistheid van het ambtsbericht. Ook is er geen informatie aangedragen op basis waarvan aannemelijk geacht moet worden dat er in haar specifieke geval geen sprake is van adequate opvang. De hoorplicht is niet geschonden, want uit het bezwaar kan geen andere conclusie worden getrokken (kennelijk slechts stellingen geponeerd? want verwezen naar r.o. 2.1.2).

In deze zaak werd op basis van oud beleid geoordeeld dat er een verdergaande onderzoeksplicht lag. Vanwege het toepassen van verkeerd beleid en door de lange wachttijd op het eerste besluit, vond de Rechtbank dat er gehoord had moeten worden. Kennelijk heeft bij de Rechtbank de inhoud van het bezwaar een minder grote rol gespeeld dan bij de Afdeling. Die laatste oordeelt immers dat de hoorplicht in bezwaar niet geschonden is.

Het oordeel van de Rechtbank dat er verkeerd en benadelend beleid is gevolgd, wordt door de Afdeling niet gevolgd. De Afdeling geeft de IND hier het voordeel. Was er op 14 februari 2000 een aanvraag ingediend, pas op 21 oktober 2002 is er beslist op bezwaar en toen was het nieuwe beleid al van kracht. Daarenboven oordeelt de afdeling, zonder nadere motivatie, dat ook bij toepassing van het vóór 4 januari 2001 gevoerde beleid de aanvraag zonder nader onderzoek op deze grond kan afwijzen. Dat valt nog maar te bezien, want de praktijk was nu eenmaal anders en de Afdeling kan dat niet weten, want zij was er toen niet bij (betrokken). Er zijn legio zaken waarbij de aanvraag in 2000 is ingediend en waarbij op gelijkaardige gronden wel een verblijfsvergunning is afgegeven, waarbij nu zelfs door het bijzondere overgangsrecht een definitieve verblijfsvergunning is afgegeven.

In casu is de aanvraag ingediend op 14 februari 2000, is nader gehoord op 22 maart 2001, is op 13 februari 2002 een individueel ambtsbericht uitgebracht, is op 18 april 2002 een voornemen afgegeven welke op 16 mei 2002 door een zienswijze is gevolgd. Op 21 juni 2002 is afwijzend beslist, waartegen op 22 juli 2002 bezwaar is gemaakt. Op 21 oktober 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard en daartegen is dan op 15 november 2002 beroep aangetekend.

De vreemdeling is geboren in 1983 en was dus al meerderjarig toen beslist werd op de aanvraag.

Op 17 en 18 februari 2004 oordeelt de Afdeling bij monde van respectievelijk mr. H. Troostwijk en mr. J.E.M. Polak wederom dat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Het betrof tweemaal een zaak waarin tijdens de bezwaarfase niet was gehoord.

Wellicht is er tijdens de beroepsprocedure weinig werk van gemaakt dat er niets is gehoord en wellicht is tijdens bezwaar onvoldoende aangedragen waarom de primaire beschikking niet in stand kon blijven, in de ogen van de Afdeling, maar zulks is niet gemotiveerd, laat staan gesteld. Deze uitspraken lijken dan ook weer in strijd met eerdere standpunten van de Afdeling dat het horen een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de bezwaarprocedure. Gelet echter op de uitspraak van 31 oktober 2003 waarbij de enkele kans, dat tijdens bezwaar alsnog doorslaggevende informatie had aangedragen kunnen worden op basis waarvan zou blijken dat voor het individuele geval geen adequate opvang beschikbaar was, voldoende was om te concluderen van het schenden van de hoorplicht, lijkt men dat standpunt nu kennelijk te hebben verlaten.

In de tweede zaak werd overigens nog gereageerd op de nagekomen brief. Naar aanleiding van een eerdere uitspraak (7 november 2003) had ik namelijk willen benadrukken dat de ingebrachte informatie dusdanig afwijkt van de eerdere zaken dat niet simpelweg mocht worden volstaan met verwijzing naar eerdere uitspraken. De Afdeling merkt hierover op dat die brief gelet op artikel 85 lid 3 Vw2000 niet meer kon worden meegenomen in de besluitvorming want die is na de beroepstermijn binnen gekomen.

Tevens werd opgemerkt dat de informatie zoals aangedragen in de grieven, voor zover die al niet eerder in de procedure aangedragen hadden moeten worden, niet kon leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Volgens de Afdeling dient dus in een zo vroeg mogelijk stadium alle informatie te worden ingebracht, al geeft ze er toch wel haar (ongemotiveerd) oordeel over. Wat er nu moet gebeuren als achteraf blijkt dat door de IND ondeugdelijke informatie is ingebracht, wordt hiermede niet beantwoord. Ik blijf me dan ook maar richten op dat ambtsbericht, want als dat achteraf toch niet zo juist blijkt als de Afdeling tot op heden lijkt te denken, welk redelijk denkend mens durft dan vol te houden dat dit maar eerder ingebracht had moeten worden?

Op 24 februari 2004 oordeelt de Afdeling, bij monde van mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen dat de aangevoerde grieven geen vragen opwerpen die beantwoording behoeven. Wederom was er niet gehoord in bezwaar.

In bezwaar noch in beroep is gereageerd op het individuele ambtsbericht en de stelling dat door het verstrekken van onjuiste informatie het onderzoek zou zijn gefrustreerd, in ieder geval is volgens de IND en volgens de Rechtbank het onderzoeksresultaat niet gemotiveerd weerlegd. Opvallend is dat in de bij de beslissing van de Afdeling gevoegde beschikking en de uitspraak enkele passages onderstreept staan, waaruit geconcludeerd kan worden dat dit mogelijk de doorslaggevende reden is geweest om het appèl af te wijzen.

In ieder geval hebben die passages kennelijk de aandacht gekregen. In het appelschrift was reeds aangegeven dat er rekening gehouden moet worden met het feit dat de informatie door een minderjarige is verstrekt en dat zelfs indien moedwillig verkeerde informatie is verstrekt door het bewuste kind, dat niet zo zwaar aan hem mag worden toegerekend dat dit moet leiden tot het onthouden van verblijf. (deze passage was ook aangestreept) Uit het mogelijk frustreren kan en mag niet zondermeer worden afgeleid dat er wel sprake zou zijn van adequate opvang, want dat is niet uit onderzoek gebleken.

Op 10 maart 2004 (JV 2004/184 en NAV 2004/139) heeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan bij monde van mr. M. Vlasblom, Lubberdink en T.M.A. Claessens. Het hoger beroep van de IND werd gegrond verklaard. Hierdoor werd een positieve beslissing van de Rechtbank ongedaan gemaakt. Het interessante zit hem echter in de overwegingen. Ten eerste wordt TBV 1996/1 van toepassing geacht op deze zaak, omdat dit verder niet is bestreden. Vervolgens wordt opgemerkt dat het aan de Minister is om te oordelen of de verstrekte informatie voldoende is om nader onderzoek te doen naar adequate opvangmogelijkheden of niet, of met andere woorden de vreemdeling een dergelijk onderzoek reeds bij voorbaat frustreert. De Rechtbank mag hier niet in de plaats treden van de Minister. De Rechtbank is derhalve te ver gegaan volgens de Afdeling. Daarna verklaart de Afdeling het beroep alsnog ongegrond, want de vreemdeling heeft te vage, summiere en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd over ouders, familie en woonadres, zodat gerede twijfel is ontstaan over identiteit en afstamming.

De Afdeling is dus ook niet meegegaan in de redenering van de IND, onvoldoende informatie is frustreren en dus geen status, nee, de Afdeling is veel basaler bezig. Het betekent dus ook dat het nog belangrijker wordt om die identiteit zo goed mogelijk en zo geloofwaardig mogelijk te onderbouwen.

Op 17 maart 2004 (122Kb) oordeelt de Afdeling, bij monde van mr. M. Vlasblom (voorzitter), mr. T.M.A. Claessens en mr. J.E.M. Polak dat een ambtshalve beslissing op het AMV-deel in de AC-procedure toegelaten is. Het betreft hier een hoger beroep van voor de aanbevelingen van het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties (van 30 januari 2004), in welk advies juist wordt aangegeven dat geen minderjarige in de verkorte procedure zou mogen worden afgedaan en ook van voor de oordelen van de MK Rotterdam aangaande de redelijkheid van het beleid om bewijs te moeten leveren dat er geen sprake is van adequate opvang.

Het is daarom ook opvallend om te zien dat de Afdeling thans de nodige ruimte lijkt te laten voor de vreemdeling en de Rechtbank. Die ruimte moet dan wel worden aangegrepen, omdat zoals nu het geval is, die ruimte niet is benut (voor het hoger beroep) en het hoger beroep wordt dan ook afgewezen. Zo dient, als ik de uitspraak goed lees, in ieder geval worden aangeboden dat er nader en concreet bewijs zal worden ingewonnen en aangeleverd. Daarna zal aan de Rechtbank een nader oordeel moeten worden gevraagd of de Minister in redelijkheid dat aanbod naast zich had kunnen neerleggen en de aanvraag toch in het AC-model afdoen.

Grieven 1 en 2 betreffen de inhoudelijke kant, enerzijds het bestrijden van het ambtsbericht (als zijnde de feiten en omstandigheden waarvan zou moeten worden uitgegaan) en anderzijds dat op basis van het beleid en dat ambtsbericht ten onrechte gevergd wordt dat aangetoond wordt dat er geen adequate opvang is. Grief 3 ging in op het feit dat ondanks artikel 3 IVRK, de minderjarigheid werd niet betwist, het niet redelijk is om van een kind te verlangen binnen een AC-procedure met dergelijk bewijs te komen, laat staan binnen het tijdsbestek dat daarvoor beschikbaar is. Betoogd werd dat de volgens het beleid geboden kans, meteen in de AC-procedure weer de nek wordt omgedraaid, want zoiets kost nu eenmaal tijd die in de AC-procedure niet wordt geboden (drie uur om te reageren op het voornemen).

De Afdeling zet eerst de regels op een rij op basis waarvan thans geoordeeld moet worden dat bij een voornemen in de AC-procure thans er tevens vanuit gegaan mag worden dat er beslist wordt op de ambtshalve toets (r.o. 2.2.1). Volgens r.o. 2.2.3 dient de vreemdeling concrete feiten en omstandigheden aan te dragen waarom geen adequate opvang voor handen is of zal zijn. Indien de vreemdeling en/of (dat is niet geheel duidelijk) aankondigt bewijsstukken te zullen overleggen, is het aan de Minister om te oordelen of die kans geboden moet worden. Indien hangende de procedure later dan alsnog bewijs wordt ingebracht en/of (dat is wederom niet geheel duidelijk) mag de rechter op basis daarvan oordelen dat de Minister daar op had moeten wachten.

Het probleem van deze uitspraak is dat  onduidelijk is of het criterium om niet AC af te doen nu is dat en concrete feiten, en een bewijsaanbod en aangeleverd bewijs voor de zitting bij de Rechter, nodig zijn voor het oordeel dat niet AC kon worden afgedaan, of dat het aanbod van bewijs en het oordeel van de Rechter dat in het belang van het kind dit (vooralsnog) niet AC kan worden afgedaan (wat ook het Kinderrechtencomité aanbeveelt).

Op 28 mei 2004 oordeelt de Afdeling bij monde van respectievelijk mr. J.H. Kreveld en mr. A.W.M. Bijloos  wederom dat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Het betrof tweemaal een zaak waarin tijdens de bezwaarfase niet was gehoord.

Op 28 mei 2004 (17 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van respectievelijk mr. M. Vlasblom (voorzitter), mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens dat indien een kind dat geboren wordt niet door de vreemdeling zelf als een omstandigheid wordt aangedragen dit geen rol hoeft te spelen in het besluit van de IND. In deze zaak was het wel aangedragen, maar eerst in beroep (terwijl het kind al geboren was voor het bestreden besluit tot stand kwam) en dat wordt als te laat gezien, want verweerder heeft dat zo niet kunnen meenemen. Omdat de Afdeling bij een eventuele nieuwe aanvraag dit nu niet meer als novum aanmerkt (zie de jurisprudentie inzake 4:6 Awb), zal het derhalve niet meer een rol kunnen spelen. De enige mogelijkheid die ik nog zie, is een afzonderlijke aanvraag indienen voor het kind, want het kind heeft geen zelfstandige beoordeling gehad.

Overigens vind ik het een markante zaak, want de IND behoort te weten wat de samenstelling is van een gezin. De VD registreert en meldt de geboorte van vreemdelingen en in ieder geval is door het koppelen van alle persoonsgegevens nu juist met één druk op de knop de actuele familieband te achterhalen. Het is natuurlijk jammer dat de advocaat dat (de geboorte) niet tijdig heeft ingebracht als afzonderlijk feit, maar hoe ver moet het gaan? Is het niet zo dat de blote rechtsfeiten als voor eenieder helder mogen worden ervaren en dat indien wordt gesteld dat adequate opvang beschikbaar is, dit tevens betekent, gelet op de persoonlijke omstandigheden, ook als die later wijzigen? Ik zie het als een zoveelste signaal dat we op de rand van een Kafkaiaans tijdperk balanceren, als we er af en toe al niet overheen gedonderd zijn.

Op 28 mei 2004 (127 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr. Vlasbom (zoorzitter), mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena dat met de inwerkingtreding van TBV 1996/1 de tekst van de Vc is komen te vervallen. DIt is op zich een opmerkelijk standpunt. De Rechtbank Rotterdam heeft duidelijk gewezen op het zwakke punt en daarom is het weer opvallend dat in die zaak hier geen expliciete motivering wordt gehanteerd. Deze zaak van de Rechtbank Zutphen die nu door de vreemdeling is bestreden, krijgt vervolgens een nare motivering. In het hoger beroepschrift is echter niet expliciet gesteld dat de TBV 1996/1 door TBV 2001/33 haar geldigheid met terugwerkende kracht verliest en dat in tegenstelling tot de meeste TBV's, TBV 1996/1 nimmer officieel de tekst van de Vc heeft vervangen. Daartoe zijn immers niet de vereiste formele handelingen verricht.

Overigens wordt de Rechtbank wel gecorrigeerd, want die ging slechts uit van nieuw beleid en niet het oude beleid zoals dat door de Afdeling wordt gelezen in TBV 1996/1.

Op 2 juni 2004 (101 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr. R.W.L. Loeb (voorzitter), mr. M. Vlasblom en mr. A.W.M. Bijloos dat de MK Rotterdam buiten haar boekje is getreden. De Rechter is niet gehouden om ambtshalve te onderzoeken of de juiste beleidsregels zijn toegepast. Volgens de Afdeling zijn die regels immers geen recht als in de zin van artikel 8:69 lid 2 Awb. Nu partijen dit niet aan de orde hebben gesteld, mocht de Rechtbank dat vervolgens ook niet doen, oordeelt de Afdeling. Als ik artikel 8:69 lid 2 lees, en de daarbij horende toelichting, betreft het een plicht van de Rechter om de juridische vertaalslag te maken van de aangedragen beroepsgronden. De vraag is dan niet of gelet op het eerste en derde lid van dit artikel er geen sprake is van feiten en omstandigheden die ambtshalve kunnen worden aangevuld. Nog los van het feit dat een ander hoger beroepsorgaan hier toch anders mee omgaat dan de Afdeling, is het toch wel duidelijk dat ook in deze zaak beroep is gedaan op een eerlijke behandeling, en dat houdt ook in aan de hand van het beleid zoals dat gevoerd wordt. Het verbod op willekeur en détournement de pouvoir maakt juist dat wel degelijk getoetst moet worden aan dat beleid, nu dat beleid de daadwerkelijke invulling van die rechtsregels behelsen.

Hoe dan ook, nu het hoger beroep op die grond al slaagt, hoeven de andere gronden niet te worden besproken. We weten dus nog niet wat er gaat gebeuren wanneer die gronden wel expliciet en tijdig zijn ingebracht. Dus toch weer afwachten welke beleidsregels moeten worden toegepast, TBV 1996/1 of de tekst van de Vc. De uitspraak van 28 mei doet daar niet aan af, omdat ook daar niet expliciet beroep is gedaan op de ongeldigheid van TBV 1996/1.

Opvallend is verder dat de Afdeling wel voorziet in de zaak en het beroep ongegrond verklaart, terwijl nu wel alle aspecten aan de orde zijn geweest. Kennelijk gaat de Afdeling dan weer terug naar het beroepschrift en neemt derhalve hetgeen bij de Rechtbank ter zitting is besproken en hetgeen nadien in de uitspraak en in het verweerschrift is aangedragen niet op in de verdere beoordeling (zie ook r.o. 2.6). Terwijl in het nadeel van de vreemdeling wel wordt geoordeeld dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zelfs geen enkele poging is ondernomen om aan te tonen dat er geen sprake is van adequate opvang. Het aanbod om een deskundige ter zitting te horen was juist door de Afdeling verworpen! De Afdeling laat hier wel erg in haar kaarten kijken.

Concluderend: draag alles aan, hoe absurd ook het in eerste instantie luidt. Zeker als het gaat om gevoerd beleid, want dat mag de Rechtbank niet meer zelf invullen. Zorg ervoor dat stappen zijn ondernomen om aan te tonen dat in het individuele geval geen opvang voor handen is, en persisteer in de ruimte om aanvullend te bewijzen.

Op 3 juni 2004 (afgestempeld met jaartal 2003) oordeelt de Afdeling bij monde van mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen dat eerst in hoger beroep zou zijn aangedragen dat niet gehoord is gedurende het bezwaar. Door dit eerst in hoger beroep aan te dragen, wordt buiten het geschil getreden zoals dat beoordeeld is door de Rechtbank. Hiermee voldoet het niet aan de wettelijke beperking van een grief. Opvallend is dat hetgeen ter zitting wordt aangedragen, indien niet genoteerd, dus geen rol kan spelen in hoger beroep. Dit houdt zekere risico's in voor advocaten, want zij dienen er zorg voor te dragen dat alle belangrijke gronden altijd worden aangedragen. Ik kan dan ook alleen maar aanbevelen dat wezenlijke gronden als het schenden van de hoorplicht, al is het al jaren gebruik van de IND om nauwelijks te horen in bezwaar, toch maar steeds weer en bij voorkeur dus schriftelijk aan te dragen. Het gebruik van een model kan hierin dan wellicht toch helpen.

Op 11 juni 2004 (73 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr.R.W.L. Loeb (voorzitter), mr. M. Vlasblom en mr. A.W.M. Bijloos dat een uitspraak van de Rb Almelo moet worden vernietigd (28 januari 2004), een uitspraak waarbij de rechtbank oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat voor 16- tot 18jarigen adequate opvang aanwezig was. De rechtbank oordeelde toen dat zulks niet uit de eerdere uitspraken van de Afdeling te lezen viel. De Afdeling wijst thans erop dat in die uitspraken al aangegeven is dat er andere opvang beschikbaar is dan weeshuizen en dat het normale circuit reeds als adequaat is aan te merken. De uitspraak van de Rechtbank wordt teruggedraaid.

Dit is volgens mij een onjuiste stelling van de zijde van de Afdeling. Gelet op de geschiedenis van dit beleid tot 2001, was juist het normale circuit onvoldoende om te komen tot de conclusie dat er sprake was van daadwerkelijke adequate opvang. (zie ook knop informatie van deze website) Op basis van werkinstructie 192 kan immers geconcludeerd worden dat tot 2001 er geen adequate opvang daadwerkelijk beschikbaar was. Ambtsbericht 2001 zou daar dan verandering in moeten brengen, maar dat doet het enkel ten aanzien van weeshuizen. Dat is derhalve onvoldoende basis voor de conclusie die de Afdeling hier trekt.

Wil men het gewijzigde beleid respeceteren, dan kan dat mogelijk, al blijkt zulks niet uit de wetsgeschiedenis en de discussie in de Kamer, maar stel dat men hier de letter volgt, dan nog krijgt men twee definities van adequate opvang. De eerste is tot 2001 voor China zodanig dat er met het normale circuit geen sprake is van adequate opvang, en de tweede houdt in dat die er vanaf 2001 er wel is. Nu is dat voor een eerste aanvraag zuur voor degenen die na 2001 asiel hebben aangevraagd, maar zij die dat eerder deden, dienen te worden beoordeeld aan die eerdere definitie, tenminste als men eerlijk wil zijn en het gelijkheidsbeginsel wil respecteren.

Op 24 juni 2004 (106 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr M. Vlasblom (voorzitter), mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.H. Kreveld dat een andere uitspraak van de Rechtbank Rotterdam vernietigd moet worden. Wederom zou de Rechtbank buiten het geschil getreden zijn. Zo mocht niet worden geoordeeld dat niet duidelijk is hoe tegenbewijs kan worden geleverd, want zulks blijkt niet te zijn betoogd, bestuderende de stukken in het dossier en het PV van de zitting. Er was geen ruimte om zulks ambtshalve te onderzoeken, dus is buiten het geschil getreden. Vervolgens oordeelt de Afdeling met verwijzing naar eerdere uitspraken, 4 juli 2003, 31 oktober 2003 en 28 mei 2004, dat het beroep alsnog ongegrond verklaard moet worden.

Op 15 november 2004 (85 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr. R.W.L. Loeb (voorzitter), mr. B. van Wagtendonk en mr. A.W.M. Bijloos dat de uitspraak van de Rechtbank Haarlem, waarin met verwijzing naar eerdere uitspraken van de Afdeling, het beroep van de Chinese AMA ongegrond verklaard werd, ten onrechte tot stand is gekomen. Het betreft de intrekking op 3 september 2002 van een op 27 november 2000 verleende AMA-vtv. In bezwaar en in beroep is gewezen op de rechten van het kind. Hierbij is in bezwaar (152 Kb) gewezen op de risico's die zij loopt als alleenstaande jonge vrouw/meisje. In beroep wordt daaraan toegevoegd dat terugzending tevens schending zal opleveren van artikel 8 EVRM, want zij is al geworteld in Nederland. Dit betreft de gronden van 27 februari 2003, punt 4, waarbij tevens wordt verwezen naar EHRM-jurisprudentie. In de aanvullende gronden van 16 maart 2004 wordt het beleid en het algemene ambtsbericht nader bekritiseerd (beide gronden van beroep in 378 Kb). In de gronden van 27 februari 2003 is al gewezen op het schenden van de hoorplicht. De Rechtbank Haarlem (212 Kb)   verwierp de argumenten stuk voor stuk, hoorplicht, zie r.o. 2.11 en het beroep op artikel 8 EVRM, zie r.o. 2.10. Omdat de voormalig gemachtigde gelet op de lijn in de jurisprudentie geen ruimte meer zag voor zinvol hoger beroep, werd een second opinion gevraagd en is door mij alsnog hoger beroep ingesteld (219 Kb). De Raad van State wijst twee grieven toe en laat de vraag over adequate opvang buiten beschouwing. De beslissing van de Rechtbank wordt vernietigd en de beslissing van de Minister (162 Kb) wordt eveneens vernietigd. Deze zaak is ook gepubliceerd in JV 2005, 42, met uitgebreide noot van M.M. van Asperen, mede gericht op het eerst in beroep aanvoeren van artikel 8 EVRM en 3 IVRK .

Op 18 november 2004 (80 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr. H.G. Lubberdink, mr. J.E.M. Polak en mr. R. van der Spoel dat de uitspraak van de Rechtbank Utrecht vernietigd moet worden en verklaart het beroep van de vreemdelingen bij die Rechtbank alsnog ongegrond. Door de minderjarigen was betoogd dat zij behoren tot de Mongoolse minderheid, afkomstig uit Binnen-Mongolië en geen Chinees beheersen. Volgens de Afdeling is echter geen concrete informatie overgelegd waaruit blijkt dat het niet beheersen van de Chinese taal maakt dat zij geen adequate opvang zouden kunnen krijgen. Het feit dat er in het ambtsbericht niets verteld is over deze bevolkingsgroep, althans aangaande minderjarige alleenstaande vreemdelingen, maakt niet dat daarmee de conclusie gerechvaardigd is dat er geen adequate opvang zou zijn. In principe wordt hiermee dezelfde redenering als eerder gehanteerd voor kindmoeders en jonge moeders waarover in het ambtsbericht ook niets staat. De Afdeling houdt vast aan de conclusies en laat zich daarvan kennelijk niet afbrengen door de reeds ingebrachte informatie en argumenten.

Op 29 april 2005 (124 Kb) oordeelt de Afdeling bij monde van mr. H.G. Lubberdink, mr. B. van Wagtendonk en mr. R van der Spoel dat de uitspraak van de Rechtbank Utrecht (308 Kb) vernietigd moet worden, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard moet worden en de beslissing van de IND eveneens vernietigd moet worden. Zo vaak komt het niet voor dat de vreemdeling gelijk krijgt en derhalve loont het dan ook de moeite te bekijken wat hier nu precies gebeurt.
De Rechtbank heeft het beroep afgewezen, want bij de beoordeling of een verblijfsvergunning voortgezet verblijf moet worden afgegeven hoeft niet te worden gekeken naar artikel 8 EVRM, maar slechts of de oorspronkelijke reden voor verblijf (AMA) nog van toepassing is. Gelet op het Algemeen Ambtsbericht april 2001, is dat niet, dus dat leidde tot afwijzing.
De Afdeling oordeelt echter anders. Weliswaar werd niet voldaan aan de criteria voortvloeiende uit artikel 3.51 Vb, maar de aanvraag had niet mogen worden afgewezen zonder te bezien of de aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding geven tot inwilliging op basis van artikel 3.52 Vb. Door die beoordeling achterwege te laten is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, er heeft onvoldoende onderzoek plaatsgevonden naar alle mogelijkheden die de wet biedt om de aanvraag te honoreren.
Van belang hierbij is te onderkennen dat de Afdeling van mening is dat de begrenzing van artikel 3.6 Vb niet van toepassing is op deze aanvraag, welke begrenzing wel van toapssing is voor de zaak waarnaar door de Rechtbank werd verwezen. Artikel 3.6 betreft de ambtshalve verlening van de buitenschuldstatus en de AMV-status.
CONCLUSIE: Bij voortgezet verblijf is het belangrijk alle elementen aan te dragen die kunnen bijdragen tot een oordeel dat wegens bijzonder individuele omstandigheden niet gevergd kan worden Nederland te verlaten. Hier kunnen dan weer gezinsleven (artikel 8 EVRM), de Rechten van het Kind, e.a. worden aangehaald. Voor iedere zaak waarbij reeds een verblijfsvergunning is verleend geweest, dient expliciet gewezen te worden op artikel 3.52Vb, artikel 8 EVRM en deze uitspraak...